Wie met een hardloper samenwoont, hoort in de weken voor een marathon een nieuwe taal. Startvak, negatieve split, de man met de hamer. Hieronder staan de woorden die je het vaakst hoort, in gewone taal, met erbij wat je er als supporter aan hebt.
Voor de start
Startnummer. Het nummer op de borst van je loper. Er zit meestal een chip in of op, en vaak staat de naam erop. Handig: zoek je loper niet op gezicht maar op kleur van het shirt, en roep de naam die op het nummer staat.
Chip. Een klein zendertje in of op het startnummer. Elke keer dat je loper over een tijdmat loopt, wordt de tijd geregistreerd. Daar komt de officiële uitslag vandaan.
Startvak. Bij grote wedstrijden starten lopers in groepen, ingedeeld op verwachte eindtijd. De snelste vakken gaan eerst. Voor jou betekent het: je loper start misschien pas een flink stuk na het startschot.
Startschot. Het officiële begin van de race. De tijd die vanaf hier loopt, heet de brutotijd.
Tijdslimiet. De tijd waarbinnen je binnen moet zijn. Daarna gaan wegen weer open en rijdt soms een bezemwagen achter de laatste lopers aan.
Onderweg
Tijdmat. Een mat over de weg, vaak om de 5 kilometer, die de chips leest. De officiële race-app laat je tussentijden zien zodra je loper eroverheen is. Daartussen is de plek een schatting.
Split of tussentijd. De tijd over een stuk van de race, bijvoorbeeld per 5 kilometer of per helft. Een negatieve split betekent dat de tweede helft sneller ging dan de eerste. Dat is knap, en het mag gezegd worden.
Haas of pacer. Een loper die een vast tempo loopt naar een eindtijd, vaak met een vlaggetje of ballon met die tijd erop. Lopers die een bepaalde tijd willen halen, lopen met de haas mee. Zie je de haas van het doel van je loper voorbijkomen, dan weet je dat je loper vlakbij moet zijn.
Drinkpost of verzorgingspost. Een plek langs de route met water, sportdrank en soms iets te eten. Het is er druk en glad van de bekertjes: geen handige plek om te staan als je je loper wilt zien.
De man met de hamer. Het moment waarop de energie in één keer op lijkt, bij een marathon vaak ergens na kilometer 30. Benen worden zwaar, het tempo zakt. Precies daar maakt een supporter het verschil.
Na kilometer 30 begint voor veel lopers een andere race. Daar sta jij het best.
Afstand op het horloge. Bijna altijd iets meer dan de officiële afstand, omdat niemand de kortste lijn loopt en gps een foutmarge heeft. Meer daarover in Chiptijd of gps.
Na de finish
Brutotijd. Van het startschot tot de finish.
Nettotijd of chiptijd. Van de startmat tot de finish. Dit is de tijd die je loper echt liep, en meestal de tijd die telt voor een record.
PR of PB. Persoonlijk record: de snelste tijd die je loper ooit op deze afstand liep. Vraag ernaar, maar pas als je loper weer op adem is.
Finishvak. Het afgezette stuk na de finish waar lopers een medaille, water en vaak een folie krijgen. Supporters mogen er meestal niet in. Spreek daarom vooraf een plek af waar jullie elkaar na afloop zien.
